Sai Baba noemt zichzelf
een avatar, een goddelijke incarnatie, de vormloze God die een menselijk
lichaam heeft aangenomen. Het bewijs van zijn goddelijke aard levert
Baba met name door ons door middel van zijn wonderen te tonen dat hij
de kenmerken bezit die hij naar onze mening moet bezitten om als belichaming
van God geloofwaardig te zijn, namelijk alomte-genwoordigheid, alwetend-heid
en almacht. Belangrijker dan deze kenmerken noemt hij zelf echter de
toe-stand van volkomen gelukzaligheid waarin hij altijd verkeert en
zijn vermo-gen om onbeperkt zuivere liefde voort te brengen. Hij zegt
dan ook: 'Ik zou de lucht in aarde kunnen veran-deren of de aarde
in lucht, maar dat is geen teken van god-delijke macht! Liefde, univer-sele,
immer aanwezige liefde, dat is het enige teken.'
Mensen komen op
aarde om hun karma, de gevolgen van daden uit vorige levens, uit te
werken. Baba is echter uit vrije wil naar de aarde gekomen. Hij is,
in tegen-stelling tot ons, dan ook volkomen vrij van gedachten die aan
de zintui-gen zijn gebon-den. Hij is uit-slui-tend gekomen om ons de
weg naar God te wijzen. Elk woord en elke daad van Baba komt voort uit
zuivere, onzelfzuchtige liefde. 'Ik ben de belichaming van liefde.'
Baba leert ons,
dat de gehele schepping in wezen goddelijk is. In ieder mens, dier,
plant en voorwerp is de goddelijke vonk, het atma (de ziel) aanwezig.
Lichaams-gebondenheid verhindert ons echter om dat te zien. 'Jullie
zijn allen God. Het enige verschil is dat ik het weet en dat jullie
het nog niet weten.'