Toespraken\Houd ethiek en een goede moraal hoog
Houd ethiek en een goede moraal hoog
Goddelijke toespraak door Bhagavan Sathya Sai Baba
ter gelegenheid van een tweedaagse conferentie
over Ethiek en de Financiële
Wereld - slottoespraak
op 29 augustus 20092009, Sai
Kulwant, Prasanthi Nilayam te Puttaparthi
Het
lichaam is opgebouwd uit de vijf elementen en zal vroeg of laat vergaan,
maar de bewoner ervan kent geen geboorte noch dood.
De
bewoner heeft geen enkele binding en is de eeuwige getuige.
In
werkelijkheid is de bewoner, in de vorm van het atma, waarlijk God zelf.
(Telugu gedicht)
De Dehi (bewoner van het lichaam) is nergens aan gebonden en men noemt het ook wel het Atma of Brahman.
Belichamingen van liefde,
De mensen vereren God op verschillende manieren en ontwikkelen vertrouwen in Hem. God heeft echter geen naam en geen vorm. Hij is Een. Toch hebben mensen verschillende namen voor Hem, zoals Rama, Krishna, Allah, Jezus, enz. Dat is allemaal hun eigen keus en naar hun eigen voorkeur, maar God heeft eigenlijk helemaal geen naam. God is Een. Ekam sath viprah bahudha vadanti (er is maar één waarheid, maar de geleerden hebben er allerlei namen aan toegekend.) De Ene God wordt bedoeld met en vereerd onder diverse namen en vormen. Deze vormen, die aan God worden toegeschreven, zijn aan iemands voorstellingsvermogen ontsproten en ook aan afbeeldingen op schilderijen. In werkelijkheid heeft niemand echt een juist beeld van God. In de vorm waarin men in zijn overpeinzingen God vóór zich ziet, zo manifesteert Hij zich. God is één en geen twee!
Ieder mens zegt, als hij het over zichzelf heeft: ‘ik’. Dit ‘ik’ slaat op het individuele ego dat door lichaamsgehechtheid is ontstaan. Als dit ‘ik’ [in het Engels I ] wordt doorgestreept, dan word je de dehi (bewoner). Je wordt waarlijk God. Goddelijkheid gaat naam en vorm te boven. Sinds onheugelijke tijden hebben de mensen naar zo’n transcendentale goddelijkheid gezocht en verlangd, deze vereerd en gediend.
In deze stoffelijke wereld hebben de mensen allerlei wensen. Dharmaraja had maar één passie: het dobbelspel. Hij was er dol op. De Kaurava’s merkten deze zwakheid op en zetten een samenzwering op touw om hem door middel daarvan in de val te lokken. Hun oom van moederszijde, Sakuni, moedigde hen aan en adviseerde: ‘Ga Dharmaraja voor een spelletje dobbelen uitnodigen.’ Sakuni was er erg bedreven in en kende elk vals trucje om zijn tegenstander buitenspel te zetten. Duryodhana en zijn broers speelden tegen Dharmaraja. Er was geknoeid met de dobbelstenen die werden gebruikt zodat zij elk spel wonnen. Dharmaraja verloor zijn rijk, zijn broers, zichzelf en zelfs zijn vrouw, Droupadi. De Kaurava’s namen zijn rijk over en hadden de macht over Dharmaraja’s broers en Droupadi. Zij brachten haar naar het koninklijk hof.
Droupadi legde de daar verzamelde hoge heren en ouderen een vraag voor, namelijk: heeft Dharmaraja eerst zichzelf verspeeld en daarna haar, of was het andersom? Als hij eerst zichzelf heeft verspeeld en het spel verloor, dan had hij geen recht meer om Droupadi als pand in te zetten. Bovendien was Droupadi niet alleen Dharmaraja’s echtgenote maar ook van diens vijf broers. Hebben zij toestemming gegeven om Panchali (de vrouw van de vijf broers) als pand in te zetten? Niemand in het hoogverheven gezelschap waagde het een antwoord op de subtiele vragen van Droupadi te geven. Zij hielden stevig hun mond dicht.
Op een keer ging Dronacharya, toen hij nog jong was, naar koning Drupada om om een geschenk te vragen: een koe. Omdat de koning weigerde ging Dronacharya woedend uit Panchala weg met zijn vrouw, kind en bezittingen. Toen hij te voet naar Hastinapura onderweg was, ontmoette hij de Pandava en Kaurava kinderen die op een veldje bij een waterput aan het spelen waren. Toen hij op de kinderen toeliep, die om de waterput heen stonden, informeerde Dronacharya: ‘Wat is er aan de hand, kinderen? Waarom staan jullie zo in een kringetje om de put? Wat is er gebeurd?’ De kinderen antwoordden in koor: ‘Onze bal is erin gevallen.’
Dronacharya stelde hen gerust en zei: ‘Zit er maar niet over in hoor, ik haal hem er wel uit.’ Dat gezegd hebbende, trok hij een pijl en schoot deze in de bal. Daarna schoot hij nog een pijl af, die stevig in de eerste pijl kwam vast te zitten. Op die manier schoot hij de ene na de andere pijl af. Het werd een hele mast van pijlen die zo lang werd dat hij er bij kon om de pijlen met de bal uit de put te trekken. Hij overhandigde de bal aan de kinderen. Ze waren enorm onder de indruk van wat zij zagen en vielen aan Dronacharya’s voeten. Zij beseften dat zij iemand hadden gevonden die op z’n minst erg goed was in boogschieten. Zij brachten het nieuws over aan Bhisma, die Dronacharya als leraar aanstelde voor zowel de Kaurava’s als de Pandava’s.
Onder deze kinderen bevond zich Arjuna, die zich de vaardigheid van het boogschieten heel snel eigen maakte en binnen de kortste keren een expert werd, waardoor hij zeer in de smaak viel en bewondering opriep bij leraar Dronacharya. Eigenlijk maakte hij door zijn vaardigheid zijn leraar beroemd en trots. Dat wekte de jaloezie op van Aswatthama, Dronacharya’s zoon. Vanaf die tijd koesterde hij grieven jegens de Pandava’s en tegen Arjuna in het bijzonder. Tijdens de Mahabharata oorlog vocht hij aan de zijde van de Kaurava’s tegen de Pandava’s en op een nacht sloop hij heimelijk het Pandava kamp binnen en richtte een massaslachting aan onder de Upapandava’s (jonge kinderen van Pandava’s). Onder bescherming van de duisternis kon hij genadeloos zijn gang gaan. Toen hij op het punt stond te ontsnappen, werd hij door Arjuna gepakt, die hem naar Droupadi sleepte. Maar in plaats van in woede te ontsteken en de boosdoener te vervloeken en te bestraffen, viel zij aan de voeten van Aswatthama, de zoon van de zeer vereerde leraar van haar echtgenoot, en zei:
Aan de
voeten van je vader Dronacharya
Hebben
mijn echtgenoten alles geleerd wat zij weten.
Jij bent
de zoon van Dronacharya
En is
het gepast om mijn onschuldige kinderen te doden?
Hoe had
je het hart om ze te doden
Ze waren
jong, ongewapend en lagen rustig te slapen
Ze waren
totaal niet vijandig tegenover jou
En ze hadden
ook geen enkel kwaad jegens je in de zin.
(Telugu gedicht)
Toen Droupadi aldus haar pleidooi hield bij Aswatthama, kon Bhisma dit niet aanzien. Hij explodeerde van woede en brulde:
Deze
Droupadi is een domme vrouw
Immers,
zij bepleit de vrijlating van dit stuk ongeluk.
Zij
koestert geen gevoelens van woede tegen
Deze
moordenaar van haar zonen.
Deze
moordenaar is geen brahmaan.
Laat hem
niet vrij, maar dood hem.
Als
jullie het niet doen, dood ik hem
Met mijn machtige vuist.
(Telugu gedicht)
Aswatthama stond te trillen van angst en voelde zich hulpeloos. Arjuna, door grote woede overmand, stond op het punt Aswatthama aan te vallen. Droupadi hief daarop beide handen op en smeekte Arjuna:
O,
Phalguna! Het is niet rechtschapen om
Iemand
te doden die bang is, de moed heeft verloren
Die
slaapt of dronken is
Iemand
die een toevluchtsoord zoekt
Of van
het vrouwelijk geslacht is.
Jij moet
Aswatthama niet doden
Want hij is de zoon van onze leraar.
(Telugu gedicht)
Vervolgens viel Droupadi aan zijn voeten neer en trachtte hem aldus tot rede te brengen: ‘Arjuna, zullen mijn zoons weer levend worden door Aswatthama te doden? Zijn moeder, op haar beurt, zou in dezelfde rouw gedompeld worden als waarin ik nu verkeer. Je hebt toch de Veda’s en Sastra’s bestudeerd? Hoe kan het dan dat je je kalmte niet kunt bewaren?’ Zo pleitte Droupadi bij Arjuna om Aswatthama zijn vreselijke daad te vergeven.
Arjuna wierp tegen: ‘Jullie weerhouden me ervan, mijn gelofte gestand te doen’, waarop Droupadi antwoordde: ‘Zijn hoofd kaalscheren en hem zijn hoofdsieraad ontnemen is voor hem even erg als hem doden.’ Arjuna ging op haar pleidooi in, en als teken van straf schoor hij Aswatthama’s hoofd kaal, ontnam hem zijn hoofdsieraad en liet hem vrij. ‘Het heeft geen zin om ons met het verleden bezig te houden. Het verleden is voorbij; laat het los.’ Dat was het advies van Droupadi aan Arjuna en in overeenstemming daarmee onderdrukte hij zijn emotie.
Dezer dagen haalde een econoom, deelnemer aan deze conferentie, het thema “Ethiek en Financiën” aan. Arjuna nam de ethiek heel serieus, spaarde het leven van Aswatthama en hield zich niet meer bezig met het verlies van de Upapandava’s.
Het leven van een medemens sparen is veel belangrijker dan het vergaren van rijkdom. Er staan verscheidene van zulke voorvallen in de Mahabharata en de Bhagavata beschreven. Er zijn vele edelmoedige vrouwen als Droupadi. Zij keek verder dan haar neus lang was en had een nobel karakter. Alleen door vrouwen als zij heeft het land Bharat (India) in elk tijdperk zoveel vooruitgang geboekt en de positie verworven die het nu heeft.
Helaas zijn de Indiërs hun roemrijke verleden vergeten. Zij zijn nu als de machtige olifant die zich niet van zijn aangeboren kracht bewust is. In het buitengewoon heilige land Bharat is tolerantie de eerst aangewezen karaktereigenschap. Wat is de ware schoonheid van een mens? Niet de schoonheid van het stoffelijk lichaam. Het is verdraagzaamheid die iemand werkelijke schoonheid verleent. Onze Indiase cultuur hecht de grootste waarde aan verdraagzaamheid. Dat is al sinds eeuwen zo.
Men dient daarom zijn rijke traditie van zuiverheid en tolerantie in ere te houden. Een ware Bharatya is iemand die deze twee eigenschappen goed bewaakt. Iemand die geen moraal heeft, kun je toch geen mens noemen? Geld komt en gaat, maar een goede moraal komt en groeit. Daarom moet men de eigen goede moraal bewaken. Alleen iemand die met een nobel karakter begiftigd is, mag zich een Bharatiya noemen.
Zoals een olifant zich niet van zijn aangeboren kracht bewust is en zich nederig aan de commando’s van de mahout (olifantendrijver) onderwerpt, vergeten de Bharatyia’s van tegenwoordig hun aangeboren kracht en zuiverheid en imiteren de westerse cultuur. Hoewel zij met grote kracht begiftigd zijn en de Veda’s, de Upanishaden en andere geschriften kennen, apen zij de westerse cultuur na en vergeten hun eigen grootsheid. Het past de mensen van zo’n grootse natie niet. Je dient je de rijkdom van je cultuur te realiseren en je geweten te volgen.
Helaas volgen de mensen tegenwoordig hun geweten niet, en dat komt niet door onwetendheid! Als je doorgaat met het imiteren van de westerse cultuur zal je eigen kracht geleidelijk afnemen. Doe anderen dus niet na. Houd je in. Een leeuw bijvoorbeeld, valt een dier alleen aan als hij honger heeft. Hij loopt niet rond met de bedoeling elk dier te doden dat op zijn weg komt. Zelfs een wild dier als een leeuw heeft dus het vermogen zich te beheersen. Het is voor ieder mens nodig zich te beheersen en grenzen in acht te nemen. Een groot ego, woede en hebzucht leiden je van de weg af.
In zo’n situatie moet je je gedachten een andere kant op sturen en het edele pad volgen, opdat je anderen, en daarmee jezelf, geen kwaad berokkent. Gebruik je kracht en vermogens niet zonder onderscheid toe te passen. Je ziet de kinderen tegenwoordig van ongebreidelde vrijheid genieten. Natuurlijk, vrijheid mag en is goed, maar er moeten wel grenzen zijn. Dan alleen heeft het waarde. Proberen zoveel mogelijk rijkdom te vergaren en daarin heel knap en slim te werk gaan zal je alleen maar in gevaar brengen.
Je hebt vast wel in de kranten gelezen hoe Amerika enorm veel geld en middelen heeft verspild door het beginnen van oorlogen tegen Iran, Irak en andere naties. Wat heeft Amerika hieraan? De Amerikaanse economie maakt vandaag de dag een dieptepunt door en er heerst een recessie in het land. Dat komt allemaal door hun verkeerde gebruik van middelen.
Laten we Easwara eens als voorbeeld nemen. Hij is almachtig. Toch gebruikt hij zijn enorme, alles doordringende macht en kracht alleen voor zover nodig. Men zou zijn voorbeeld moeten volgen en een juist gebruik van zijn vermogens en middelen maken, d.w.z. alleen voor zover nodig.
Verspil je gedachten niet, want het maakt je
denken onstandvastig. (Baba toont zijn zakdoek). Wat is dit? Een stukje textiel.
Nee, het is geen bundel draden, het is katoen. Zonder katoen geen garen en
zonder garen geen weefsel. Zo is de “mind”,
het denkvermogen, niets anders dan een bundel gedachten. Houd je gedachten dus
in toom. Zelfs het vermogen dat je vergaart en het voedsel dat je eet, het moet
allemaal binnen zekere grenzen zijn. Voedsel is God, verspil het niet.
Help anderen, doe niemand kwaad. Help immer, schaad nimmer. Dit zijn een paar richtlijnen voor een zinvol leven. Gezegend is hij die zich zodanig gedraagt dat hij anderen, en daarmee zichzelf, niet schaadt. Dit zijn vaardigheden die je je eigen moet maken en die je niet uit schoolboeken kunt leren. Let op je gedachten en zorg ervoor dat ze niet een verkeerde kant op gaan. Elke keer dat zich een gedachte aandient, bedenk dan of deze goed is of verkeerd. Als je vindt dat hij niet goed is, ga er dan niet verder op door, maar laat hem los. Als het een goede gedachte is, breng hem dan in praktijk opdat jij en anderen er wat aan hebben.
Tijdens de conferentie die gisteren en vandaag is gehouden werden een paar richtlijnen besproken voor het efficiënt functioneren van banken. Welke acties je ook onderneemt, het moet in een geest van zelfverbetering zijn. Heb niet het idee dat je de organisatie dient, doch eerder dat je jezelf van dienst bent door de oprechtheid waarmee je de dingen doet. Zorg ervoor dat je geen ruimte biedt aan ego en trots.
Als je je spaargeld op de bank zet, profiteert niet de bank, maar jij. Immers, het komt naar jou terug. Op eenzelfde manier profiteer je als je anderen goed doet. Je doet het ten diepste voor jezelf.
Als je een goede naam in de samenleving wilt krijgen, cultiveer dan drie principes: Daiva preeti, papa bheeti en sangha neeti (liefde voor God, beduchtheid om een zonde te begaan en een goede moraal in de samenleving). Als je een goede moraal in acht neemt, zullen de mensen om je heen je als een goed mens behandelen. Breng eerst en vooral liefde voor God tot ontwikkeling. Pas vervolgens op dat je geen zonde begaat. Alleen als je deze eigenschap ontwikkelt zul je iemand van karakter worden. Als je een goed en edel karakter hebt, zal de samenleving van je houden, niemand zal een hekel aan je hebben. Onderhoud een goed karakter en heb allen lief. Liefde is overal en God is overal, dus heb allen lief. Hoe meer je van anderen houdt, hoe beter je reputatie zal worden.
Als je een fout maakt of een verkeerde daad begaat, zullen anderen dat heel gemakkelijk nadoen. Dus: wees goed, doe goed en zie wat goed is. Dat is de weg naar God. Slechts als je je op die manier gedraagt, zul je een goede naam krijgen.
Deze dingen kun je niet uit een boek halen. Het is geen tekst die je moet leren. Het heeft met zuiverheid van hart te maken. Breng dat tot ontwikkeling. Als je een sigaret rookt, dan zal er al gauw een vriend naar je toekomen, die zegt: ‘Heb je er voor mij ook eentje?’
Zoals de mensen zijn waar je mee omgaat, zo ga je je gedragen. “Zeg mij wie uw vrienden zijn en ik zal u zeggen wie u bent.” Als je veel in slecht gezelschap verkeert, word je net zo. Als je een goed mens bent zullen anderen je voorbeeld volgen en ook goed worden.
Je hoort vandaag de dag veel over bedrijven die hun deuren moeten sluiten. Wat zou daar de reden voor kunnen zijn? Als één bedrijf er verwerpelijke methoden op nahoudt, volgen er al gauw andere, die hetzelfde doen. Het is algemeen bekend dat slechte gewoonten zich heel gemakkelijk en snel verspreiden. Je moet dus voorzichtig zijn en ernaar streven om goede dingen te laten gebeuren. Denk goed na en imiteer het kwade niet.
Geliefde kinderen, jullie zijn allemaal nog heel jong. Begin met het doen van goed werk, nu, zo jong als je bent. Geef anderen het goede voorbeeld. Wees de samenleving van dienst. Het is ook de samenleving die je beschermt.
Maar voordat je maatschappelijk nuttig werk doet, zijn er vier mensen die je dient te vereren en respecteren, namelijk je moeder, vader, leraar en God, in die volgorde. De moeder is vooral heel belangrijk. Maak haar gelukkig. Als je moeder gelukkig is, zal je hele leven gelukkig zijn. Als je haar ongelukkig maakt, zal dat op jou terugslaan. Houd haar dus te allen tijde gelukkig en tevreden. Zij zal je altijd beschermen. Je moeder heeft je het leven geschonken en zij heeft je grootgebracht. Ze kan je een standje geven of straffen als ze boos op je is, maar haar boosheid is alleen op dat moment, het duurt niet lang. Besef dat boosheid, ego, afgunst, enz. allemaal tijdelijke fasen zijn. Zelfs lust (begeerte) is kortstondig. Het is allemaal tijdelijk, het komt en het gaat. Het is niet blijvend, maar één principe, Atma Tattwa, is altijddurend.
Breng liefde voor iedereen tot ontwikkeling. Heb lief! “Heb allen lief en dien iedereen.” Liefde is je enige bezit dat eeuwig is. Er gaat niets boven liefde; iets dat daar nog bovenuit gaat heb je niet nodig.
Stel je dienstbaar op met een gevoel van: “Dienstbaarheid is goddelijkheid. Dienstbaarheid is mijn leven.” Diensten aan anderen moet je nooit verlenen om te worden beloond. “Geld komt en gaat, maar een goede moraal komt en groeit.” Wees niet uitgelaten als je geld krijgt, noch gedeprimeerd als je geld verliest. Het verschil tussen geld en een goede moraal is: geld komt en gaat, terwijl een goede moraal komt en toeneemt.
Het is vandaag een heel gelukkige dag, kinderen. Bid dat gelegenheden als deze zich weer zullen voordoen, waar je ook moge zijn.
God is je enige toevlucht, waar je ook bent, hetzij in een bos, in de lucht, in een stad of een dorpje, op een bergtop of midden op zee. (Telugu dichtregels)
God is altijd bij je, boven je, achter je. Hij zal je altijd beschermen. Breng dit vaste vertrouwen in je hart tot ontwikkeling. Gods genade is niet iets voorbijgaands. Hij zal altijd bij je zijn. Jullie zijn goede kinderen, dat weet ik. Gedraag je altijd als goede kinderen.
(Swami besloot zijn toespraak met twee bhajans: “Hari bhajan bina sukha santhi nahin …” en “Subrahmanyam, Subrahmanyam …”)
©Vertaald door de St. Sri Sathya Sai Baba -
Bron:
webpublicatie Sri Sathya Sai Books and Publications Trust, Prasanthi Nilayam.