Liefde
voor God, vrees voor de zonde
en moreel besef in de maatschappij
Goddelijke toespraak door Bhagavan Sathya Sai Baba
ter gelegenheid van Ashadi
op 6 juli 2009, Sai Kulwant,
Prasanthi Nilayam te Puttaparthi
Gurur-Brahma Gurur-Vishnu Gurur Devo Maheshvara;
Guru sakshat Param Brahma thasmai Sri Gurave namaha.
(De goeroe is Brahma, de goeroe is Vishnu, de
goeroe is Mahesvara.
De goeroe is waarlijk de allerhoogste Brahman.
Daarom buig ik voor de goeroe.)
Brahma, Vishnu en Shiva zijn de drie
verschillende namen en vormen van dezelfde goddelijkheid. ‘Allen zijn één,
behandel iedereen gelijk.’ Hoewel de namen en vormen fysiek verschillen, is de
goddelijkheid in alle schepselen slechts één. Brahma is de schepper, Vishnu de
beschermer en Shiva de vernietiger. En toch vertegenwoordigen deze drie
aspecten de ene God. Van de ene God noemt men het creatieve aspect Brahma, het
beschermende en onderhoudende aspect Vishnu en tenslotte
het vernietigende aspect (Laya) Shiva. Om te voorkomen dat de
verschillende namen en vormen die aan God worden toegeschreven verwarring
scheppen, wordt God atma of de allerhoogste Brahman (de naamloze,
vormloze God zonder enige eigenschap) genoemd. Het ene atma doordringt alle
levende wezens.
Religies zijn verschillend, het pad is
gelijk;
Kleren zijn verschillend, katoen is één;
Schepselen zijn verschillend, atma is één;
Nationaliteit en levensstijl zijn
verschillend, de menselijke geboorte is gelijk.
Elk mens dient drie kwaliteiten te
ontwikkelen: liefde voor God, vrees voor de zonde en moreel besef in de
maatschappij. Het gebrek aan vrees voor de zonde is als enige verantwoordelijk
voor het huidige gebrek aan moreel besef in de samenleving. Liefde is de
versterkende factor die mensen verenigt. Waar liefde heerst, daar zal de
samenleving een geheel vormen. Zonder moreel besef
heeft men niet het recht mens genoemd te worden. Daarom is moreel besef in alle
opzichten van groot belang.
Hoewel God iedereen met liefde overlaadt,
heeft de mens de zo waardevolle kwaliteit van vrees voor de zonde verloren.
Vandaag de dag begaat de mens allerlei zonden in de veronderstelling dat God zo
vriendelijk is om zijn zonden uiteindelijk te vergeven. Met deze overtuiging
gaat hij zich meer en meer te buiten aan zondig gedrag. Hij ontwikkelt een
bepaalde zelfingenomenheid op dit punt en meent dat hij de straf kan ontlopen.
Maar de werkelijkheid is anders. Ofschoon God barmhartig is en alle slechte
daden kan vergeven, is het onvermijdelijk dat men voor zijn zonden moet boeten.
Daarom dient elk mens deze drie kwaliteiten, liefde voor God, vrees voor de
zonde en moreel besef in de maatschappij te ontwikkelen. Als er geen vrees voor
de zonde is, zal er geen moreel besef in de maatschappij zijn.
Mensen gedragen zich uiterst
onverantwoordelijk en verrichten met hun ongebreidelde ego allerlei ongewenste
activiteiten. Ze vrezen de zonde niet; ze staan zelfs geen moment stil bij de
consequenties van hun daden. Men moet zich daarom ervan weerhouden het slechte
te zien, het slechte te spreken en het slechte te doen, anders zullen de
gevolgen van deze verkeerde daden zo niet direct, dan toch later als een
boemerang bij die persoon terugkomen. Ook is het mogelijk dat de effecten van
al die zondige handelingen allemaal tegelijk keihard bij
die persoon aankomen.
Wie zich echt bij het
welzijn van de samenleving betrokken voelt, moet werken aan de ontwikkeling van
moreel besef in de maatschappij. Voorwaar, iemand die zich niet ethisch gedraagt is helemaal geen mens maar een dier. De onwaarheid
spreken, anderen onrecht aandoen en zich aan zondig gedrag en verdorven
gewoonten te buiten gaan is zeer verwerpelijk. In het leven dien je de drie
principes te volgen van liefde voor God, vrees voor de zonde en moreel besef in
de maatschappij. Je kunt zeggen dat iemand die geen moreel besef heeft erger is
dan een aap. In feite is een aap beter dan zo iemand. Iemand die zich immoreel
gedraagt, zal door niemand gerespecteerd worden. Alleen iemand die ethische
principes naleeft zal bij iedereen respect afdwingen. En wie probeert zo iemand
kwaad te doen, zal dan zelfs door anderen worden tegengehouden met een
waarschuwing als: ‘Dat is een goed mens, laat hem/haar met rust.’ Mensen bij wie
het aan moreel besef ontbreekt, worden als lager dan
een hond beschouwd. Ontwikkel daarom morele waarden en leef ernaar.
Er zijn drie geestelijke oefeningen (sadhana’s)
waarmee je deze drie kwaliteiten: liefde voor God, vrees voor de zonde en
moreel besef in de maatschappij kunt ontwikkelen. Dat zijn: toewijding aan God (bhakti),
ontwikkeling van wijsheid (jnana) en onthechting (vairagya).
Handelen (karma) is een natuurlijk en essentieel kenmerk van het fysieke
lichaam. Alleen als het lichaam goede handelingen verricht zal de geest goed
functioneren. Als de geest gezond is, kan zich liefde voor God ontwikkelen. Zo
zijn dus bhakti, jnana en vairagya verbonden met liefde voor God, vrees voor de
zonde en moreel besef in de maatschappij. Deze zijn als de drie bladen van een
ventilator. Alleen als de drie bladen ronddraaien kunnen we de aangename,
frisse lucht voelen.
Tegenwoordig vraagt men zich af waarom we
liefde voor God moeten ontwikkelen. Liefde voor God maakt dat men vrees voor de
zonde ontwikkelt, die vervolgens moreel besef in de samenleving zal bevorderen.
Iedereen moet het onderscheid weten tussen goed en kwaad, zonde en deugd. Als
je dat hebt vastgesteld, moet je proberen alleen het goede te doen. Wees
goed, doe goed, zie goed; dat is de weg naar God. Zonder deze drie is elke
beoefening van rituelen, gebeden, het zingen van de goddelijke naam (japa)
en ascese (tapas) nutteloos.
De negen vormen van toewijding zijn:
luisteren, zingen, overpeinzing van Vishnu, het dienen van zijn lotusvoeten,
eerbetoon, aanbidding, dienstbaarheid, vriendschap en volledige overgave aan
het innerlijk hoger zelf (respectievelijk
sravana, kirtana, Vishnusmarana, padasevana, vandana, archana, dasya, sneha en
atmanivedana).
De eerste stap is luisteren (sravana).
Dan moet je afwegen of het gehoorde goed of slecht is. Als je vindt dat iets
een slecht voorstel is en dus niet naar je zin, hoe kun je dat dan uitvoeren?
Tegenwoordig is het mogelijk dat men iets voor
elkaar krijgt door onwaarheid te spreken, en dat men over anderen kan
zegevieren met valse en onrechtvaardige middelen. Daarom moet je je bij elke
handeling die je gaat verrichten afvragen of die al dan niet zuiver is. Denk
niet te lichtvaardig over de consequenties die kunnen optreden; vroeg of laat
zullen de gevolgen van een verkeerde handeling zich aandienen. Dat kan elk
moment, nu of later, gebeuren. Wees daarom bereid alleen goede en nobele
handelingen te verrichten, vanuit een zuiver gemoed.
Van het allergrootste belang is een zuiver
geweten. Dat is je ware aard, het wezenlijke zelf (atmatattva). Niemand
kan begrijpen wat het atma is. Omdat er zoveel lichamen en vormen zijn, moeten
er namen aan gegeven worden om ze van elkaar te kunnen onderscheiden. Atma of
Brahma echter heeft geen geboorte of dood zoals een fysiek lichaam. Daarom kan
niemand het als deze of gene identificeren. Hoewel
atma het bevattingsvermogen te boven gaat, is het omschreven als eeuwig,
zuiver, verlicht, vrij en de belichaming van heiligheid (nitya, shuddha,
buddha, mukta, nirmala svarupinam). Het is vrij van alle ondeugden en
smetten en de eeuwige verblijfplaats (niranjanam, sanathana niketanam).
Er is slechts één atma en het is in alle schepselen aanwezig. Dat is de
wezenlijke natuur van het atma.
Een klein voorbeeld: wanneer je honderd vaten
gevuld met water in een heldere maannacht buitenzet, zul je merken dat de maan
in elk van die vaten weerspiegeld wordt. Het lichaam is als een vat. Ooit zal
het vergaan. Waar gaat de maan (atma) dan naar toe? Die gaat nergens heen, die
blijft. Maar omdat er geen water (lichaam) is, wordt zij niet weerspiegeld. Op
vergelijkbare wijze is het atma in elk mens aanwezig.
Iemand die geen goed karakter heeft, heeft
geen moraal. Iemand zonder moraal verdient het niet om mens genoemd te worden.
In de samenleving moet onze houding achting en respect afdwingen. Tegenwoordig
is er echter niemand meer te vinden die zich om een goede naam in de
maatschappij bekommert. Maar men maakt zich wel druk over wie
rijk is en wie arm. Geld komt en gaat, maar moreel besef komt en neemt toe luidt
het spreekwoord. Daarom is het niet juist om naar rijkdom, macht en meer van dat soort wereldse zaken te streven. Al deze verworvenheden
zijn voorbijgaand. Hoe je ook probeert ze stevig vast te houden, ze glippen weg
zonder dat je het zelfs maar merkt.
Het atma is daarentegen
eeuwig; dat komt en gaat niet, dat blijft altijd de eeuwige getuige van alles
wat in de wereld gebeurt. Op dat eeuwige atma moeten we ons geloof vestigen.
Wie op het wezenlijke zelf (atmatattva) vertrouwt, laat zich niet door
onrecht en verderfelijke praktijken van de wijs
brengen.
Men heeft het over: ‘Mijn lichaam, mijn
zintuigen, mijn geest, mijn verstand’, enzovoort, maar jijzelf bent geen van
allen. Je zegt bijvoorbeeld: ‘Dit is mijn boek.’ Dat boek heb je nu in je hand.
Het volgende moment wil iemand erin kijken en komt het in zijn handen. Of je
hebt wat kleingeld in je hand. Dat zal na enige tijd in andere handen overgaan.
Het komt en gaat. Maar moreel besef komt en vermeerdert; dat heeft geen vorm.
Als men de samenleving en de wereld wil
verbeteren, moet allereerst het moreel besef van het
individu ontwikkeld worden. Dezer dagen komen allerlei politieke partijen met
voorstellen om de maatschappij te verbeteren, om deze te transformeren. Maar
steevast falen ze omdat ze alleen maar proberen stemmen te werven voor hun eigen zelfzuchtige doeleinden. Ze maken zich helemaal
niet druk om de maatschappij. Als je de maatschappij wilt transformeren, moet
je hart zuiver zijn. Eerst het individu en dan de maatschappij. Voor de
transformatie van het individu moet er liefde voor God en vrees voor de zonde
zijn. Dan komt er moreel besef in de samenleving. Individuen vormen een
maatschappij. Dus als zich eenheid onder de mensen ontwikkelt, zal er
zuiverheid en goddelijkheid zijn. Eenheid, zuiverheid en goddelijkheid krijg je
niet door onderwijs alleen.
Stel dat je gaat zitten mediteren en je sluit de
ogen. De geest dwaalt echter alle kanten op. Je probeert hem naar het
uitgangspunt terug te brengen. Het is een leerproces. Pas wanneer de
wankelmoedige geest stil is geworden, wordt meditatie mogelijk. Dit proces, het
standvastig maken van de geest, wordt concentratie genoemd. Meditatie is alleen
mogelijk na concentratie. De juiste volgorde is concentratie, contemplatie en
meditatie. Geloof de mensen niet die beweren te mediteren vanaf het moment dat
ze zitten. Dat is doen alsof en geen meditatie. Echte meditatie betekent dat je
jezelf totaal vergeet, dat je het gevoel van vereenzelviging met het lichaam (dehatma
bhava) helemaal kwijt bent. Je moet volledig afstand doen van de
gehechtheid aan de zintuigen. Dan pas zal de geest kalm worden.
Er was eens een vader met vier zoons. Elke
zoon wilde een ander beroep kiezen om geld te verdienen. Een zoon wilde in
zaken gaan. Een ander wilde een kleine kruidenierswinkel openen. De derde zoon
zocht een dienstbetrekking en de vierde koos weer een ander beroep. Terwijl
geld verdienen het gemeenschappelijke doel was, koos
ieder van hen een andere weg. Uiteindelijk zijn de middelen die bij het geld
verdienen worden aangewend bepalend of het verdienstelijk dan wel verwerpelijk
is. Mensen zondigen zelfs zonder het te beseffen. De verkeerde daden die zij doen
zullen hen voortdurend achtervolgen.
Enige tijd geleden waren er zware
overstromingen in de staat Orissa. Deze verwoestten verscheidene dorpen in vier
districten. Huizen, bomen, gewassen op het land, maar ook dieren en enkele
mensen werden door de vloedgolven weggevaagd. Honderden dorpen stonden onder
water en de mensen waren door de overstromingen ingesloten. Ze waren door angst
gegrepen bij al dat natuurgeweld.
Ik stuurde toen een telegram: ‘Maak je geen
zorgen. Wees gelukkig. Ik zal huizen voor jullie
bouwen.’ De mensen van Orissa kwamen naar mij toe in een speciaal gereserveerde
trein. De regering, parlementsleden en andere overheidsbeambten daar, van wie
verwacht mocht worden dat zij in dat uur van nood te hulp zouden schieten,
lieten het afweten. Onmiddellijk zond ik honderd miljoen roepies en trof ik
maatregelen voor de distributie van hulpgoederen en het bouwen van
noodonderkomens voor de getroffen mensen.
Ik ben niet geïnteresseerd in het vergaren van
geld. Ik wil alleen jullie liefde. Wees gelukkig. Ontwikkel
je moreel besef en liefde voor God. Als jullie liefde ontwikkelen, zal die
liefde de kwade eigenschappen in je verdrijven.
Voordat de oorlog tussen Rama en Ravana begon,
ging Hanuman naar Lanka, met de opdracht de verblijfplaats van Sita te
achterhalen. Nadat hij Sita gevonden had en op de terugweg was om de informatie
aan Rama over te brengen, werd hij door de demonen gevangengenomen en naar het
hof van Ravana gebracht. Ravana was woedend toen hij Hanuman zag, die onderweg
het prachtige bos met ashokava-bomen [peuldragende bomen met schitterende rode
bloemen] had verwoest. Ravana ondervroeg Hanuman: ‘Wie ben je? Hoe durf je deze
onneembare stad Lanka binnen te komen?’ Hij onderschatte de macht van Hanuman en
bespotte hem door hem als een gewone aap toe te spreken. Hanuman antwoordde op
dezelfde toon als een gelijke en zei tegen Ravana: ‘Ik ben gezonden door de
Heer die de oren en neus van jouw zuster heeft afgesneden.’
Ravana was ziedend, daar niemand hem op zo’n oneerbiedige wijze durfde toe te spreken. In feite
gebruikte Hanuman dezelfde taal als Ravana. Ravana voelde zich beledigd. Het
kon Hanuman niets schelen, want hij zong aldoor de naam van Rama en dat gaf hem
de moed en kracht om elke situatie onder ogen te zien.
Ravana kon de brutaliteit en arrogantie van
Hanuman niet verdragen en beval daarom dat de staart van Hanuman met in olie
gedrenkte doeken werd omwikkeld en in brand gestoken. Onmiddellijk werd dat
uitgevoerd. Hanuman bleef niet rustig staan. Met die brandende staart sprong
hij van het ene naar het andere gebouw en stak zo de hele stad in brand.
Prachtige, paleisachtige gebouwen, gestut met kostbare stenen, gingen in een
ommezien in de vlammen op. Zelfs Mandodari’s paleis werd door de vlammen verteerd.
Ze kwam naar buiten. Mensen renden kriskras overal heen. Geen enkel gebouw
ontkwam aan het laaiende vuur.
Hanuman gaf Mandodari toen de raad: ‘Moeder,
de door uw echtgenoot begane zonde is de oorzaak van deze verwoestende brand en
het daaruit voortvloeiende verlies van zoveel levens en bezittingen. Zeg uw
echtgenoot toch dat hij voortaan niet meer zulke gruwelijke zonden begaat. Door
uw echtgenoot daarvoor te behoeden, zult u daarmee uzelf en de Rakshasa familie
sparen.’
Mensen moeten de gevolgen van hun handelingen
ondergaan. God is slechts de getuige. Of ze nu goed of slecht zijn, je zult de
gevolgen van je handelingen ondervinden. Zorg er daarom allereerst voor dat moreel besef ontwikkeld wordt; dat besef berust op de
ontwikkeling van menselijke waarden. Om menselijke waarden te ontwikkelen dient
men God lief te hebben. Dus zijn liefde voor God, vrees voor de zonde en moreel
besef in de maatschappij afhankelijk van elkaar. Wanneer moreel besef in de
maatschappij hoog is, zullen alle mensen veilig zijn.
Een belangrijk punt in dit opzicht moet men
niet vergeten. Je mag je handelingen dan voor de samenleving verborgen houden,
de alomtegenwoordige God weet alles. Je zult toch de gevolgen van je
handelingen moeten ondergaan. Dat is een onveranderlijke wet. Dus als je
anderen kunt helpen is dat prima. Of doe anders niets. Bega geen fout door
gedachte, woord en daad. De gevolgen van je handelingen zul je niet altijd
direct ondervinden, dat kan wel even duren. Maar ze zullen zeker komen.
Mensen bestuderen spirituele teksten als de Bhagavad
Gita, maar slagen er niet in zich van hun eigen innerlijke natuur bewust te
worden. De upanishaden roepen op: ‘Mijn zoon, probeer eerst je eigen
natuur te beseffen. Ken jezelf! Als je dat doet, zul je alles kennen.’ Kennis van het zelf (atmabodha) leidt tot het besef: ‘Ik ben
niet het lichaam, ik ben niet de geest, ik ben niet het intellect’, enzovoort.
De geest is als een doek die uit samengeweven
draden bestaat. Hoe lang zal die doek blijven bestaan? Zolang de draden heel
blijven. Als je de draden uittrekt, verdwijnt de doek. Of als je de doek in
brand steekt, zal er niets dan as overblijven.
Men zegt: ‘Dit is mijn vrouw, dat is mijn
kind, die en die is mijn schoonzoon, die en die is mijn zoon, enzovoort. Deze
relaties zijn slechts illusie. Wie zijn al deze mensen? Allen zijn Gods
eigendom. Alles in deze wereld is Gods eigendom; niemand heeft er enig recht
op. Mensen ruziën onder elkaar, maken aanspraak op hun recht en verspillen
daarmee hun tijd. ‘Verspilling van tijd is verspilling van leven.’ Inderdaad is
het niet de tijd die we verspillen, maar ons kostbare leven.
Tot slot wil ik nogmaals
benadrukken dat jullie liefde voor God, vrees voor de zonde en moreel besef in
de maatschappij moeten koesteren. Deze waardevolle deugden moeten jullie te
allen tijde beschermen. Als je deze waarden beschermt, zullen ze op hun beurt
jou beschermen.
Jullie denken dat je het principe van Brahman (Brahmatattva) moet verwezenlijken. In werkelijkheid heeft Brahman geen naam en vorm. God is zonder eigenschappen, smetteloos, het uiteindelijke toevluchtsoord, eeuwig, zuiver, verlicht, vrij en de belichaming van heiligheid (nirgunam, niranjanam, sanathana niketanam, nitya, shuddha, buddha, mukta, nirmala svarupinam). De kinderen uit Tamil Nadu wachten om hun cultureel programma op te voeren. Wees er getuige van. Morgen zal ik mijn toespraak vervolgen.
©Vertaald door de St. Sri Sathya Sai Baba - Nederland.
Bron: webpublicatie Sri Sathya
Sai Books and Publications Trust, Prasanthi Nilayam.