Toe 2004 09 06

Toespraken\ De Heer accepteert alleen een hart dat zuiver is

De Heer accepteert alleen een hart dat zuiver is

 

Goddelijke toespraak, gehouden door Bhagavan Sri Sathya Sai Baba

op 6 september 2004 ter gelegenheid van Sri Krishna Ashtami, te Prasanthi Nilayam

 

De Heer aanvaardt slechts een zuiver hart

O, Krishna, je eet niet wat ik je geef

Je eet het voedsel van thuis niet

Je gaat naar de huizen van de koeherders

En eet daar heimelijk boter

Je bederft je goede naam, mijn beste!

                                                                                                                            (Telugu gedicht)

 

Op deze manier gaf moeder Yashoda op zekere dag uitdrukking aan haar angst, toen ze door de klachten van de buren geplaagd werd. Ze gaf hem een standje en zei: “O, Krishna, ik krijg allerlei moeilijkheden door jouw kwajongensstreken. Je waardeert het voedsel dat bij ons thuis wordt klaargemaakt niet. Je geeft altijd de voorkeur aan wat ze bij mensen in de buurt hebben. Wat moet ik met jou beginnen?” Het is waar dat mensen het eten bij de buren vaak lekkerder vinden. De eigenaar van een snoepwinkel, die de hele dag zoete geuren ruikt, krijgt daardoor meer zin in de gepofte rijst uit een andere winkel.

Kashyapa, een groot toegewijde aan de Heer, had zich volledig aan de lotusvoeten overgegeven en wentelde zich in gelukzaligheid. Op een dag ging Aditi, zijn vrouw, naar hem toe en adviseerde hem: “Lieverd, we hebben geen kinderen. Je hebt je met alles wat je hebt aan de Heer overgegeven. Waarom bid je niet tot Hem of hij ons met een kind wil zegenen?”

 

In het Krita tijdperk voerde keizer Bali vele yajna’s (een yagna is een vuurofferceremonie voor het verbranden van slechte neigingen -vert.) uit. Nadat hij de 107de yajna had voltooid bracht hij alles in gereedheid om de 108ste te doen, bekend onder de naam Viswajit. Toen hij deze yajna uitvoerde, verscheen Heer Vishnoe voor hem als Vamana, vermomd als een dwergachtige Brahmin. Vamana vroeg keizer Bali om drie hectare land voor een liefdadig doel, en Bali stond op het punt aan deze wens te voldoen.

Ondertussen was Bali’s voorganger, Sukracharya, erbij gekomen en trachtte hem er van af te brengen. Hij gaf Bali de raad: “Doe geen schenkingen aan deze kleine Brahmin, en dat stuk land al helemaal niet. Onderschat hem niet, het is geen gewone Brahmin. Hij is een avatar van Vishnoe. Hij is de zoon van de wijsgeer Kashyapa en een gunst van Heer Vishnoe aan hem.” Maar keizer Bali sloeg geen acht op het advies van zijn voorganger. Hij vroeg aan Vamana: “Heer, wat kan ik voor u doen?” Vanama antwoordde: O keizer, ik heb niets nodig. Geef me alleen maar die drie hectare land.” Sukracharya smeekte Bali nogmaals: “U beschouwt deze persoon als een gewone Brahmin, maar dat is hij niet. Hij is in staat het gehele universum te vullen. U zou er niet verstandig aan doen dit verzoek in te willigen.”

Maar keizer Bali sloeg zijn raad in de wind en zei dat hij het eenmaal beloofd had en nu niet meer terug kon. Het was immers een grote zonde om je niet aan je woord te houden.

 

In die dagen stierven de mensen nog liever dan dat zij hun woord niet zouden houden. Maar in het huidige tijdperk, Kali Yuga, doen de mensen beloften die ze vervolgens breken als het hun uitkomt. Keizer Bali had een zuiver hart. Als hij eenmaal een belofte had gedaan, dan hield hij zich daaraan, ongeacht wat er gebeuren zou.

Hij zei: “Ik heb deze Brahmin, deze jongen, mijn woord gegeven en ik ben bereid alle gevolgen ervan te aanvaarden. Ik offer alle vruchten van alle yajna’s die ik heb gedaan, op, met inbegrip van die welke ik nu voor deze jongen doe. Terwijl hij dit zei, legde hij de slinger van de vruchten van zijn 108 yajna’s om Vamana’s hals en ging vlak voor hem staan.

(Terwijl Swami deze woorden zei, creëerde hij een halsketting van 108 gouden munten.)

Vamana bedekte het hele stuk land dat Bali uit liefdadigheid had geschonken, onder één voet. Hij werd enorm groot en vulde het gehele universum met zijn andere voet. Er was geen ruimte over om zijn derde voet neer te zetten. Toen zei Sukracharya: “O keizer, u hebt geen acht op mijn advies geslagen. U hebt deze kleine Brahmin onderschat en door zijn onschuldige uiterlijk bent u erin gelopen.”

Vamana ontving de offerande van keizer Bali, prees zijn ruimhartigheid en zegende hem. Vamana was klein van gestalte, maar hij kon het hele universum vullen. Mensen hebben beperkingen, maar een avatar niet.

 

Het opkomen en ondergaan van de zon geschiedt volgens een voorbestemd goddelijk bevel. Het geschiedt met regelmaat en zonder onderbreking. De zon, de maan en de sterren volgen een bepaald patroon en tijdschema. Alle vijf de elementen in het universum kwijten zich regelmatig van hun taken, zoals door de Heer verordineerd. Zelfs God Zelf houdt zich aan de regels die Hij voor allen heeft vastgelegd. Alles in Gods schepping verloopt volgens een voorbeschikt plan en op goddelijk bevel. Niets in de kosmos, inclusief de vijf elementen, bestaat op zichzelf. Maar helaas is de mens niet in staat deze goddelijke kracht, die het functioneren van de kosmos regelt, te begrijpen. Natuurwetenschappers doen verwoede pogingen om deze kracht te ontdekken. De sterren die ’s nachts zo helder stralen zijn echter overdag niet te zien.


Iedere dag komt de zon ’s morgens op en gaat met grote regelmaat ’s avonds onder.
’s Nachts schitteren de sterren aan het firmament en overdag verbergen ze zich.
De wind waait zonder ophouden en onderhoudt al wat leeft zonder ook maar een ogenblik te rusten.
De rivieren maken klatergeluiden terwijl zij eeuwig stromen.
(Telugu gedicht)

 

Wat zit er achter deze verschijnselen? Geleerden hebben dat onderzocht en hun conclusie was dat de sterren overdag onzichtbaar zijn omdat de zon dan zo helder schijnt. Zo trachtten zij de goddelijke kracht op vele manieren te verklaren.

 

Op het moment dat de navelstreng wordt doorgesneden en de baby van zijn moeder wordt gescheiden, huilt hij. Waarom? Niemand kon dit geheim verklaren en onderzoeken. Zodra er een druppeltje melk of honing op de tong van de jonggeborene wordt gelegd, gaat hij heerlijk slapen. Dit heeft altijd betekend dat zodra een mens het moederlichaam verlaten heeft, de strijd om zijn honger te stillen, is begonnen.

 

O mens, je doet erg je best om je allerlei kennis eigen te maken om je maag te kunnen vullen.
Ondanks al je gezwoeg en het vergaren van kennis kun je geen blijvend geluk ervaren.
Waarom zou je je in plaats daarvan niet op de Heer bezinnen en je toevlucht bij Hem zoeken?
Hij zal je zeker een manier wijzen om uit je narigheid te komen.
(Telugu gedicht).

 

Ieder mensenkind denkt dat hij alleen maar is geboren om zijn buikje te vullen. Hij doet er steeds alles aan om voedsel te vergaren.

 

Er is nog een ander interessant natuurverschijnsel. Door de wind wrijven de takken van een boom tegen elkaar aan en kan er brand ontstaan door de wrijving van twee stukjes hout. Hoe gaat dat in z’n werk? Hoewel er brand woedt in het hout van een boom, brandt de boom niet af. Waarom niet? Tot dusverre heeft geen enkele geleerde het geheim hiervan kunnen ontdekken. Er zijn meer van die onverklaarbare verschijnselen in de natuur.

 

Daarstraks sprak één van de jongens over Nanda en Yashoda, de pleegouders van Krishna. In die tijd hadden de mensen nog geen elektriciteit. In het dorp ging men naar het huis van Nanda (omdat hij het dorpshoofd was) om hun olielampen aan die van Nanda aan te steken. De mensen geloofden dat zij overvloed en welvaart zouden hebben als zij hun lampen aanstaken aan die van rijke mensen. Een pas getrouwde schoondochter, Suguna geheten, kwam in dat dorp aan. Haar schoonmoeder zei haar, naar het huis van Nanda te gaan en haar lamp aan die van hen te ontsteken. Suguna deed dat en zag Krishna in die vlam. En terwijl ze dat visioen had, verloor zij haar lichaamsbewustzijn. Ze richtte haar blik op die prachtige vorm van Heer Krishna en was ondergedompeld in gelukzaligheid. Ze besefte zelfs niet eens dat ze haar vingers brandde door in aanraking te komen met de vlam. Ze was volmaakt gelukkig. Ondertussen waren er ook andere vrouwen uit de huizen in de buurt gekomen om ook hun lamp aan te steken. Ze wisten niet wat ze zagen! Ze merkten dat Suguna zich niet van de vlam verwijderde, hoewel ze haar vingers brandde. Toen realiseerden zij zich dat ze Krishna in de vlam had gezien. Ze zongen een lied dat dit voorval beschrijft.

(Swami zong een Telugu lied. De vertaling van de eerste regels ervan luidt als volgt):

 

Het schijnt dat Suguna een visioen had

Van Gopala in het huis van Nanda

Zij zag Krishna in de vlam.

 

Toen Yashoda dit lied hoorde, kwam ze op een drafje aangelopen. Ze zag dat Suguna haar vingers aan de vlam brandde. Terwijl alle Gopi’s in extase dansten, ging Yashoda naar Suguna en trok haar hand weg van de vlam. Ze gaf haar een standje en zei: “Suguna, merkte je niet dat je je vingers in de vlam verbrandde? Wil je hebben dat wij de reputatie verspreiden dat als mensen naar Nanda’s huis gaan, zij hun vingers branden?” Suguna’s schoonmoeder was altijd nogal kortaangebonden. Toen ze over dit voorval hoorde, rende ze naar Yashoda’s huis en maakte er flink stampij over. Ze verbood haar schoondochter om ooit nog naar het huis van Nanda te gaan voor het ontsteken van haar lamp.

 

Er gebeurden allerlei wonderen in het huis van Yashoda. Toen Krishna naar Mathura vertrokken was, konden de Gopi’s er niet mee leven om bij hem vandaan te zijn en hunkerden naar zijn darshan. Op zo’n moment van hevig verlangen verscheen Krishna in Gokul. Echter, Nanda noch Yashoda kon hem zien. Alle Gopi’s verzamelden zich bij Nanda’s huis en smeekten om Krishna’s darshan. Ze begonnen zich te beklagen: “Nanda en Yashoda, jullie hebben Krishna van ons weggehouden. Vertel ons alsjeblieft waar hij is.” Maar Krishna verscheen niet in het openbaar. Hij verscheen aan enkele individuele Gopi’s als antwoord op hun gebeden.

 

Daarstraks heeft een student van onze universiteit over het voorval verteld waarin Swami in antwoord op zijn gebeden aan hem is verschenen. Niemand anders kon Swami zien. Daarop bad de jongen wederom: “Swami, waarom geeft u darshan aan mij alleen? Doet u het alstublieft voor alle studenten, anders zullen ze me niet geloven en me uitlachen.”

Ik antwoordde: “Dat geeft niet. Laat de mensen maar denken wat ze willen. Dit is jouw prapti (wat jij verdient). Alleen jij verdient het om me te zien.” Dat gezegd hebbende, verdween ik.

 

Op een keer gaf Yashoda Krishna een standje door te zeggen: “O, mijn lieve Krishna, je hebt de maaltijd die ik voor je heb klaargemaakt niet opgegeten. Je gaat naar de huizen van de melkmeisjes en eet stiekem van de boter die daar is opgeslagen. Je brengt me in moeilijkheden. Is soms de boter die van moederliefde doordrongen is, niet lekker genoeg voor je?” Nadat ze dat gezegd had, bond ze Krishna met een touw aan een vijzel vast. Iedereen in de wereld heeft wel eens ervaren dat het eten dat thuis gekookt was, niet lekker werd gevonden. Wat bij een ander is gekookt lijkt dan smakelijker. Dat is heel natuurlijk. Echter, Krishna stal de boter in andermans huis niet omdat die zo heerlijk smaakte. Er zit een diepere betekenis in deze ‘lila’ (goddelijk spel). Hier symboliseert boter een zuiver hart. Waar zo’n hart aanwezig is, neemt Krishna het. Zo’n zuiver hart is zacht en lieflijk. De harten van de Gopi’s waren door hun toewijding gerijpt. Ze waren puur, zacht en lief. Daarom was Krishna naar hun huizen toegegaan om hun harten te stelen.

 

‘Chora’ (dief) noemt men Krishna in dit verhaal. Wat steelt hij dan? Hij steelt boterzachte harten zoals die van de Gopi’s, harten die zuiver, teder en lieflijk zijn. Als je iemand chora (dief) noemt, zal hij je dat niet in dank afnemen. Maar als je Krishna een ‘chiththa chora’ (hartendief) noemt, dan schept hij daar vreugde in. Daarom zingen toegewijden als zij de Heer op ontroerende wijze lofprijzen: “Chiththa chora Yashoda Ke Bal! Navaneetha chora Gopal! Gopal, Gopal, Gopal! Govardhanadhara Gopal!” (O, Yashoda’s kleine Krishna! O Gopala, boterdief! O Gopala, gij die de Govardhana berg optilt!).

Iedereen zal van het lied houden als het op die manier lieflijk met bhava, raga en thala gezongen wordt. Grote heilige vocalisten als Thyagaraja bereidden God heerlijke offeranden in de vorm van kirtana’s (zang), doordrongen van bhava (gevoel, overgave), raga (melodie) en thala (ritme), en verkregen Zijn genade. Zulke lofliederen hebben zo iets lieflijks. Gods genade kan door zulk gezang zeker worden verkregen. Dat zou niet het geval zijn als het alleen maar loze woorden waren. Alleen door toegewijd zingen, vervuld van bhava, raga en thala kan goddelijkheid worden bereikt. God zal door zo’n sankirtan worden geraakt.

Ook de Veda’s hebben de doeltreffendheid van het zingen van lofliederen verheerlijkt. Zelfs door de Veda’s te zingen kan God niet worden bereikt. Er zijn verschillende liederen die Gods lof bezingen in de Rig Veda, Yajur Veda, Sama Veda en Atharvana Veda, maar niemand die deze liederen zong kon er goddelijke darshan door verkrijgen. Als er echter een melodie bij wordt gemaakt en als ze met toewijding worden gezongen, dan kan goddelijke liefde worden ervaren. Daarom wordt God verheerlijkt als ‘ganalola’ en ‘ganapriya’ (liefhebber van het lied). Bid dus tot God door het zingen van devotionele liederen, dan is Gods genade gemakkelijk te verkrijgen. Er zijn mensen die daaraan twijfelen. “We kunnen niet goed zingen; we hebben dat nooit geleerd. Zal God er dan wel behagen in scheppen?” Maak je geen zorgen. Je kunt onmuzikaal zijn, geen mooie stem hebben, maar dat geeft niet. Bezing de glorie van God met intense liefde, op een melodie die je kent. Dat is voldoende om het hart van God te ontroeren. Reciteer bijvoorbeeld een dichtregel: “Rama! Nannu Kaapadu” (O, Rama, bescherm me alstublieft). Er zit geen bijzondere lieflijkheid in die regel. Het geeft gewoon in woorden je gevoel weer. Evenzo, als je een beroep op God doet en zegt: “Rama! Nannu Kaapadu”, wordt het een lege herhaling van woorden. Maar hetzelfde gevoel, als het in een liedje tot uitdrukking wordt gebracht en er wordt een mooie wijs bij gemaakt, zal God zo lief en heerlijk vinden. Er zit zo veel teders in muziek. Dus, als je God wilt bereiken, doe het dan slechts met een toegewijd lied.

 

Je hoeft niet teleurgesteld te zijn als je nooit iets over muziek hebt geleerd. Bezing Gods heerlijkheid op je eigen manier. Dat is de gemakkelijkste manier om God te bereiken. De goddelijke gelukzaligheid die de Gopi’s in Krishna avatar Dwapara Yuga (het bronzen tijdperk; dit is het derde tijdperk in de cyclus van vier. Krish­na leefde in dit tijdperk. - vert.) ondervonden is ongeëvenaard. Denk daarom aan dat goddelijke geluk en tracht God met je liefde en toewijding te behagen.

 

Bij geen enkele avatar is het opgaan in de goddelijke liefde in zo’n grote mate voorgekomen als bij de avatar Krishna. Duizenden toegewijden zijn één geworden met Krishna, tijdens zijn avatarschap. Dus, als je één wilt worden met God, dan is het zingen van lofliederen het enige middel. Men zegt van God dat Hij ganapriya is (d.w.z. dat Hij in lofliederen een welbehagen heeft). Krishna is er het beste voorbeeld van. Eén simpele naam, Krishna, door een toegewijde gezongen, volstaat om hem te ontroeren. De lila’s (spelen) en mahima’s (wonderen) die Krishna deed toen hij als avatar op aarde was, zijn ongeëvenaard.

 

Geliefde studenten,

Jullie zingen verscheidene bhajans en nemen er allen aan deel, maar ieder zingt op zijn eigen manier. Zo hoort het niet. Als jullie allemaal als het ware met één stem zingen en goed wijs houden, en dat met van God vervulde gevoelens, dan zal God Zich zeker in je liefhebbende hart installeren. Krishna is de enige avatar die darshan heeft verleend aan verschillende mensen op verschillende manieren, die hun twijfels over zijn goddelijkheid heeft weggenomen. Velen zijn in hem opgegaan. Krishna is de enige avatar die iedereen door zijn lieve en liefdevolle woorden gelukkig en gelukzalig maakte.

 

Belichamingen van liefde

Er is niets verhevener dan het zingen van lofliederen. Wat een geluk en vreugde ontlenen jullie aan het zingen van het lied “Nanduni Yinta Gopaludanta Deepaana Kanipinchenanta” (Het schijnt dat Gopala in de vlam is verschenen in het huis van Nanda). Zing zulke gevoelvolle liederen daarom met bhava, raga en thala om God te behagen en Zijn genade te ontvangen. Je kunt zo veel bhajans en liederen zingen als je wilt, maar alleen als ze van intense liefde, toewijding en lieflijke en zachte gevoelens vervuld zijn, zul je er immens geluk en vreugde aan ontlenen.

 

Bron: publicatie Sri Sathya Sai Books and Publications Trust, Prasanthi Nilayam.

Vertaald door de Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland.