Toespraken\ De rol van de moeder in menselijke waarden

De rol van de moeder in menselijke waarden

 

Goddelijke toespraak, gehouden door Bhagavan Sri Sathya Sai Baba

op 23 november 2003 in de Sai Kulwant Hal te Prasanthi Nilayam

 

Zonder waarheid, rechtschapenheid, liefde en vrede

is alle opvoeding van nul en generlei waard.

Zonder waarheid, rechtschapenheid, liefde en vrede

zijn al je goede daden van nul en generlei waarde.

Zonder waarheid, rechtschapenheid, liefde en vrede

is het bekleden van een hoog ambt van nul en generlei waarde.

Zonder waarheid, rechtschapenheid, liefde en vrede

is het heilige van al je liefdadigheid af en van nul en generlei waarde.

Deze vier kwaliteiten zijn de vier pijlers waarop het huis van Sanathana Dharma rust.

                                                                                                                               (Telugu gedicht)

 

Belichamingen van liefde,

Het ‘huis’ van een mensenleven rust op de vier pijlers waarheid, rechtschapenheid, liefde en vrede. De veiligheid en geborgenheid van het leven hangen van deze vier waarden af. Sinds aloude tijden lag het in de cultuur van Bharat (India) besloten om op het stevige fundament van deze waarden te steunen. Onze voorouders hebben zich in hun leven strikt aan deze eeuwige waarden gehouden. Zonder deze waarden kan het huis des levens ieder moment instorten. Dat de mensheid tot nu toe nog steeds bestaat komt alleen doordat de mensen deze vier waarden tenminste tot op zekere hoogte in de praktijk brengen.

 

Een kinderleven wordt in hoge mate beïnvloed door de eigenschappen van de ouders. De liefhebbende zorg van Jijabai maakte Shivaji tot een groot krijger. Rama’s goddelijkheid kwam tot bloei door de edele kwaliteiten van zijn moeder Kausalya. De tweelingbroers Lava en Kusha konden machtig en beroemd worden door hun edele en deugdzame moeder Sita. Hetzelfde kan worden gezegd van onze wijzen en zieners uit het verre verleden. Zij konden hun leven heiligen door de goede invloed van hun ouders. Tegenwoordig verwaarlozen de mensen hun ouders, omdat zij niet inzien wat voor invloed zij eigenlijk op hun leven (gehad) hebben. Zij gaan voorbij aan het feit dat zij alleen dankzij hun ouders een behoorlijke positie in het leven hebben kunnen verwerven. Gandhi is een Mahatma geworden door zijn vrome moeder Putlibai. Zij had gezworen dat zij niet zou gaan eten voordat zij de koekoek had gehoord. Op een dag echter, moest ze te lang wachten omdat de koekoek zich maar niet liet horen. De jonge Gandhi kon het niet aanzien dat zijn moeder zo lang vastte. Daarom ging hij het huis uit en deed het geluid van de koekoek na. Vervolgens ging hij weer naar binnen en zei: “Moeder, nu we de koekoek gehoord hebben, kunt u gaan eten.” Ze merkte meteen dat haar zoon een leugentje vertelde. Dat verdroot haar zo dat zij Gandhi op de wang sloeg en zei: “Wat voor zonde heb ik begaan dat ik een kind heb dat zo’n leugenaar is?” Ze huilde er zelfs bij. Gandhi had er spijt van en vroeg haar om vergiffenis. Hij nam zich plechtig voor dat hij nooit meer onwaarheid zou spreken. Op deze manier ontwikkelden de mensen vroeger deugden en zij verkregen hoge posities dankzij hun moeder. Vandaag heeft het land het moeilijk omdat de mensen de waarheid niet meer hooghouden en toegeven aan onwaarheid in gedachten, woorden en daden. Het welzijn van een natie hangt af van wat de moeders de kinderen leren. Als ouders het pad der waarheid bewandelen, zullen de kinderen hen op natuurlijke wijze navolgen.

 

Vroeger was het onder de vrouwen van Bharat algemeen gebruik om elke dag dat het volle maan was het heilige Sathyanarayana Vratam ritueel uit te voeren. Moeder Easwaramma deed dat ook, samen met Karanam Subbamma, haar buurvrouw. Deze buurvrouw zei vaak tegen Easwaramma: “Jij voert Sathyanarayana Vratam uit, en met zijn zegen zul je een zoon krijgen. Ik zou graag willen dat je hem Sathyanarayana noemt.” Op een bepaalde dag dat het volle maan was, had Easwaramma tot laat in de middag niets gegeten omdat ze aan het Sathyanarayana Vratam ritueel meedeed, bij Subbamma thuis. De familieleden, inclusief haar echtgenoot Pedda Venkama Raju, waren er absoluut niet blij mee dat zij zo’n lange tijd niets at. Haar man zei dat het helemaal niet nodig was om de regel zo streng in acht te nemen. Maar Easwaramma was vastbesloten. “Sathyanarayana Vratam is voor mij veel belangrijker dan eten.” Toen het ritueel klaar was, gaf Subbamma gezegend voedsel (prasadam) aan Easwaramma. Pas nadat zij van dit gezegende voedsel had gegeten gebruikte zij haar maaltijd die dag. In die tijd plachten vrouwen zulke rituelen met alle oprechtheid en toewijding uit te voeren. Pas na het eten van het gezegende voedsel kon zij in verwachting raken. Yad Bhavam Tad Bhavati (zoals het gevoel is, zo is het resultaat). Sommige mensen vertrouwen op wat er in de heilige geschriften staat en houden zich daar serieus aan, terwijl anderen daar helemaal niet aan doen. Easwaramma was iemand die zich strikt aan de voorschriften hield. Pas na afloop van het Vratam ritueel en na het eten van het gezegende voedsel nam zij haar huishoudelijke taken weer op zich. Ze was ongeletterd, maar ze had een onwrikbaar vertrouwen in God. Tijdens de zevende maand van haar zwangerschap vertelde Subbamma haar: “Easwaramma, het kind dat je draagt is veilig, alleen door de genade van Heer Sathyanarayana.” Zij liet haar beloven dat haar kind Sathyanarayana zou heten. De moeder van Pedda Venkama Raju was ook een groot volgeling van de Heer. Ook zij was van mening dat het kind naar Heer Sathyanarayana moest worden vernoemd.

 

Tijdens de zwangerschap vond er een belangrijk incident plaats. Puttaparthi was toen nog een nietig dorpje, een gehucht. In het midden van het dorpje was er een bron, waar mensen water kwamen tappen. Op een dag ging Easwaramma water uit de bron halen. Plotseling zag zij een schitterend wit licht, dat als een bliksemflits uit de hemel verscheen, en dat haar buik binnenging. Ook was er een plotselinge windvlaag. Subbamma, die net haar huis uit kwam, zag het licht Easwarmma’s lichaam binnengaan. Tot op de dag van vandaag heb ik dit aan niemand verteld. Ik vertel het vandaag terwille van een beter begrip van de betekenis die de komst van een avatar heeft. Een dag vóór deze gebeurtenis, toen Pedda Venkama Raju langs Subbamma’s huis liep, riep zij hem binnen en zei tegen hem: “Als het kind morgen geboren wordt, noem hem dan Sathyanarayana”. Maar hij wimpelde haar advies af en zei dat het allemaal maar verbeelding van haar was geweest.

 

Om 3.00 uur in de ochtend, op een veelbelovend tijdstip, werd het kind geboren. Het is voor elke baby die geboren wordt, heel natuurlijk om te huilen. Maar dat deed deze baby helemaal niet. De vroedvrouw en de mensen in huis maakten zich zorgen dat het kind dood geboren was. Easwaramma was ook heel bezorgd. Zonder dat iemand het merkte, kneep zij de baby, om te zorgen dat hij ging huilen. Maar in tegendeel, tot haar grote verrassing lachte hij. Iedereen verbaasde zich erover dat een pas geboren baby lachte. Op dat moment kwam Subbamma het huis binnen en zei: “Easwaramma, ik hoorde dat je op een veelbelovend tijdstip het leven hebt geschonken aan een jongetje. Mag ik hem even zien?” Easwaramma wikkelde het kind in een doek en legde het voor Subbamma neer. Subbamma was een orthodox Brahmaanse vrouw. In die tijd bewaarden orthodoxe Brahmanen afstand tot anderen. Als zij ze toch per ongeluk aanraakten, namen zij onmiddellijk een bad. Dat was dan ook de reden dat Easwaramma de baby op een afstandje van Subbamma hield. Haar schoonmoeder, die dit allemaal aanzag, zei: “Easwaramma, ze is hier met grote liefde en bezorgdheid naartoe gekomen om het kindje te zien. Waarom laat je Subbamma de baby niet even in haar armen houden? Waarom houd je hem op een afstand?” Easwaramma zei: “O moeder, Subbamma is een heel vrome, orthodoxe Brahmaanse vrouw. Ze wil de baby waarschijnlijk niet aanraken. Daarom bewaren we afstand van haar.” Eigenlijk had Subbamma zelf die gevoelens van ‘onderscheid maken’ helemaal niet.

 

Moeder Easwaramma verzorgde haar kind met grote liefde. De jaren gingen voorbij en de baby groeide tot jongen op. Hij was mithabhashi en mithaahari (iemand die weinig spreekt en weinig eet). Easwaramma wist niet wat ze van het vreemde gedrag van haar zoon moest denken. Meestal zijn kinderen dol op eten. Er waren mensen die niet vegetarisch aten en vis of vlees tot zich namen, maar haar zoon moest niets van niet-vegetarisch voedsel hebben. Hij kwam zelfs niet bij mensen op bezoek waar niet-vegetarisch voedsel werd bereid. Zijn edele eigenschappen ziende, besefte Easwaramma dat dit geen gewone jongen was, maar een goddelijk kind. Haar oudste dochter, Venkamma, had de goddelijke aard van het kind ook opgemerkt. Samen voedden zij de jongen met liefde en zorg op. Als slaapliedjes zongen zij devotionele liederen. In zo’n edele omgeving werd het kind grootgebracht.

 

Omdat er in Puttaparthi geen echte school was, nam Seshama Raju, de oudste broer van dit lichaam, me mee naar Uravakonda en liet me daar naar school gaan. Het toenmalige gemeenteraadslid van Bellary, Rama Raju, was met Seshama Raju bevriend. Hij nam ons in de vakantie mee naar de Virupaksha tempel in Hampi. Ik wilde de tempel niet in en daarom gaf Seshama Raju mij de opdracht om buiten op de spullen te passen terwijl zij naar binnen gingen om de godheid te bezoeken. Ik stemde graag toe en bleef buiten. De priester bracht het vuuroffer (arati) aan de godheid. Tot hun opperste verbazing zagen ze mij daar in het heilige der heiligen staan in plaats van heer Virupaksha. Seshama Raju kon zijn ogen niet geloven en eigenlijk was hij boos omdat hij dacht dat ik ongehoorzaam was. Hij vond het ook ongepast dat ik daar stond. Hij liep meteen de tempel uit en vond haar daar! Hij ging weer naar binnen en zag me ook daar staan! Toch twijfelde hij nog. Daarom zij hij tegen zijn vrouw: “Ga jij naar buiten en houd Sathya in de gaten. Laat hem nergens heen gaan. Ondertussen ga ik naar binnen om te kijken of hij daar nog is.” Dat deed ze. Wederom zag hij een glimlachende Sathya in het heilige der heiligen staan. Hij vroeg zich af of dit een droom was, een hallucinatie, of werkelijkheid. Zijn vriend, Rama Raju, merkte ook iets op: een schitterende aura rond mijn hoofd. Hij vertelde dit alleen aan zijn vrouw en aan niemand anders; ook niet aan Seshama Raju. Seshama Raju wist absoluut niet wat hij ervan moest denken.

 

De vakantie was voorbij en wij gingen terug naar Uravakonda. Rama Raju bracht mij een broek en een hemd als afscheidscadeautje, maar ik weigerde het te accepteren. In die tijd was het mode om een kraagspeld te dragen. Daarom gaf Rama Raju me toen als herinnering aan hem een gouden kraagspeld met het verzoek, hem nooit te vergeten. Onder kinderen uit rijke gezinnen was het heel gewoon om een kraagspeld te dragen. Op een keer, toen ik onderweg was naar school in Urakavakonda, is hij op de grond gevallen en nooit teruggevonden. Ik legde meteen de boeken weg en thuis zei ik:

 

Weet dat ik werkelijk Sai ben

Laat aardse bindingen los

Geef je pogingen op om me tegen te houden

Wereldse gehechtheden houden me niet langer vast

Niemand, hoe hoog hij ook is, kan me tegenhouden.

                                                             (Telugu gedicht)

 

Seshama Raju was niet thuis toen ik dit liedje zong. Later, toen zijn vrouw hem erover vertelde, lachte hij en veegde het meteen van tafel. Hij zei dat iemand dat wel voor mij zou hebben gedicht. Hij schreef zelf gedichten en dacht dat het voor een jongen van mijn leeftijd onmogelijk was om een dergelijk goed in elkaar stekend gedicht te schrijven.

 

Belastinginspecteur Hanumantha Rao hield veel van mij. Ook zijn kinderen waren enorm aan mij gehecht. Toen Hanumantha Rao hoorde over wat er wat er gebeurd was, stapte hij onmiddellijk in zijn auto en reed me naar zijn huis. Hij stelde steeds maar vragen als: “Vertel toch eens, hebben je broer of je schoonzus op je gemopperd of hebben ze je geslagen? Waarom heb je besloten om van huis weg te gaan?” Ik zong een liedje:

 

De band met de wereld is tegelijk met de kraagspeld verdwenen.

De pelgrimstocht naar Hampi heeft zijn dienst gedaan.

Baba heeft zijn ouderlijk huis verlaten en gezegd dat maya hem niet langer vast kon houden.

                                                                                                                                 (Telugu vers)

 

Ik zei: “Gehechtheid aan de wereld is als een speldje, waarvan ik afstand heb gedaan. Daarom heb ik mijn huis verlaten. Ik zal daar niet langer verblijf houden.” Ik ging het huis van Hanumantha Rao zelfs niet binnen. Er lag een rotsblok voor het huis. Ik ging erop zitten en sprak met niemand. Iedereen was te verbijsterd om iets te zeggen toen ze zagen wat voor verandering er bij mij plaats had gehad. ’s Avonds probeerde Seshama Raju, die onderweg was van school naar huis, me mee te nemen. Maar ik was vastbesloten om niet naar huis te gaan. Toen praatte Hanumantha Rao overredend op hem in en zei: “Dwing Sathya niet om met je mee te gaan. Laat hem een poosje hier blijven. Later zal ik hem zelf wel komen brengen.”

 

Ik bleef daar enige tijd. Er kwamen veel mensen naar me toe, die me allerlei vragen stelden, zoals: “Ben je een geest of een demon? Wie ben je?” Ik vertelde dat ik geen geest en ook geen demon ben. “Wees ervan overtuigd dat ik echt Sai Baba ben.” Daarop vroegen ze me: “Moeten we zomaar geloven dat je Sai Baba bent? Kun je ons niet een of ander bewijs geven?” In die tijd had niemand in het Anantapur district ooit van de naam Sai Baba gehoord. Ik nam een handvol bloemen en wierp die op de grond. Terwijl de mensen in opperste verbazing toekeken, vormden de bloemen de letters Sai Baba in het Telugu. Iemand die een fototoestel bij zich had, nam een foto van mij terwijl ik op dat rotsblok zat. Er lag nog een kleinere steen vlak voor mij, en op de foto was daarin Sai Baba van Shirdi te zien. Van die foto zijn heel wat kopieën gemaakt en van hand tot hand gegaan.

 

Dezelfde steen waar ik toen op zat, ligt er nu nog steeds. Op die plaats heeft de Andhra landsvoorzitter van de Sri Sathya Sai Organisatie, Anjanaiah, een prachtige mandir gebouwd met een heel grote zaal.

 

Geleidelijk aan verspreidde zich mijn faam wijd en zijd. Er begonnen mensen uit allerlei dorpen en steden naar me toe te komen. Op ossenwagens bracht men mensen naar me toe die door boze geesten waren bezeten. Zij waren ervan overtuigd dat ik de boze geesten uit kon drijven. Ook mensen met een verstandelijke achterstand werden naar me toe gebracht. Door hun geloof werden de boze geesten uitgedreven en de patiënten waren van hun mentale kwalen genezen. Toen begonnen ze in mijn goddelijkheid te geloven.

 

Toen de mensen in grote aantallen begonnen toe te stromen, was het voor Seshama Raju niet mogelijk om me bij zich te houden. Hij schreef daarom een brief aan Pedda Venkama Raju met het verzoek me te komen halen en me mee te nemen naar Puttaparthi. In die tijd was Puttaparthi nog zo’n geïsoleerd dorpje dat de post er dagen over deed. Pedda Venkama Raju ontving de brief echter in Bukkapatnam, waar hij naartoe was gegaan om er inkopen te doen op de markt. In de brief stond: “Vader, het is ons niet mogelijk om Sathya nog langer bij ons te houden. Komt u hem alstublieft meteen halen.” Pedda Venkama Raju reisde direct van Bukkapatnam naar Uravakakonda. Hij had onvoldoende geld op zak. Hij nam de bus vanaf het huis van Seshama Raju en met de bus kwamen we niet verder dan Bukkapatnam. Daarvandaan moesten we naar Puttaparthi lopen, wamt verder vervoer was er niet. Puttaparthi was zo klein, dat de naam in de omliggende dorpen nauwelijks bekend was.

 

Toen we in Puttaparthi aankwamen, was Kondama Raju (grootvader van dit lichaam) thuis. Hij was een strikt en eenvoudig, godminnend mens. Hij zei tegen Venkama Raju: “Venkappa, laat hem toch doen wat hij wil, en maak geen bezwaren. Hij is één met het goddelijk bewustzijn. Laat hem maar een poosje bij mij wonen.” Zo gebeurde het en hij heeft me heel liefdevol verzorgd.

 

De vier broers, Pedda Venkama Raju, Chinna Venkama Raju, Venkatarama Raju en Venkata Subba Raju, besloten om allemaal op zichzelf te gaan wonen. Kondama Raju verdeelde zijn land gelijkelijk onder hen. Pedda Venkama Raju vroeg toen: “Grootvader, bij wie gaat u nu zelf wonen?” waarop Kondama Raju antwoordde:” Ik ga bij niemand wonen. Geef mij Sathya, dat is genoeg. Hij zal voor me zorgen.” In die tijd noemde niemand me bij mijn volle naam Sathyanarayana. Iedereen noemde me “Sathya”. Van die dag af aan verbleef ik bij Kondama Raju en diende hem. Elke ochtend en elke avond kwam Venkamma naar me toe. Soms vroeg ze: “Sathya, heb je wel eens dromen? Verschijnt er wel eens iemand die dan met je praat?” Maar ik zei er niets over tegen haar. Zij had een heel groot vertrouwen in Sai Baba. Op een dag vroeg ze me: “Sathya, kun je mij niet een foto van Sai Baba geven?” Ik materialiseerde meteen een foto van Sai Baba en gaf die aan haar. Ze heeft hem tot haar laatste ademtocht bij zich gedragen.

 

Kondama Raju riep Venkamma op een dag en zei tegen haar: “Onze mensen leven in onwetendheid; ze kunnen de goddelijke aard van Sathya niet begrijpen. Hij is waarlijk God zelf. Hij heeft nooit honger, nooit dorst. Hij is het stadium van het hebben van honger en slaap al lang voorbij.”

 

De eigenlijke naam van Easwaramma, die haar door haar ouders gegeven was, was Namagiriamma. Toen Kondama Raju mijn goddelijkheid opmerkte, zei hij tegen zijn zoon, Pedda Venkama Raju, dat zijn vrouw haar naam in Easwaramma moest veranderen, omdat hij zich er zeer van bewust was dat zij de moeder van Easwara zelf was.

 

Midden in de nacht kwam Kondama Raju soms kijken om vast te stellen of ik nog wel ademde en het gebeurde wel eens dat hij geen in- of uitademing kon waarnemen. Hij hoorde alleen het geluid Soham dat uit mij kwam. De mensen kwamen in groten getale naar Kondama Raju’s huis om mij te bezoeken. Als iemand hen ernaar vroeg, dan antwoordden ze: “De kleinzoon van Kondama Raju bezit goddelijke krachten. Hij verschijnt in onze dromen en lost onze problemen op.”

 

Op een keer, tijdens de vakantie, kwam Seshama Raju naar Puttaparthi. Het beviel hem helemaal niet dat er zo veel mensen naar het huis van Kondama Raju kwamen. In die tijd was hij nog heel erg sceptisch. Hij redetwistte met Kondama Raju en zei tegen hem dat hij het niet goed moest vinden dat er mensen naar zijn huis kwamen. In die tijd werd er in de dorpen nog hoog opgekeken tegen mensen die gestudeerd hadden. Seshama Raju was pas afgestudeerd als onderwijzer. Daarom beschouwde men hem in het dorp hem als een gestudeerd man. Hij zei tegen Kondama Raju: “Grootvader, u moet niet toestaan dat de mensen deze jongen benaderen. Hij heeft helemaal geen goddelijke krachten. Hij lijdt aan hysterie.” Zo sprak hij spottend over me.

 

Er woonde een exorcist in Kadiri die als expert werd beschouwd in het uitdrijven van boze geesten. Ik werd op een kar gezet naar Kadiri en Venkamma ging met me mee. Maar binnen de kortste keren werd ze apart van mij gehouden. Deze zogenaamde duiveluitdrijver was een echte dronkaard. Hij bezwoer dat ik van een of andere machtige geest bezeten was en schepte op dat hij me daar wel van af zou helpen. Hij bewerkte me met stokken en zwepen en dergelijke dingen. Hij ging zelfs zo ver om bijtende stoffen in mij ogen te gieten teneinde de geest op die manier te verdrijven. Ik onderwierp me zonder mopperen aan al deze mishandelingen. ’s Avonds, toen ik bevrijd was, ging ik naar Venkamma en vroeg haar om een beetje koeienmest met water te verdunnen. Dat heb ik ’s nachts op mijn ogen gedaan, waardoor mijn ogen weer helder werden. Zo ben ik na al die mishandelingen naar Venkamma gegaan en werd de situatie weer recht getrokken. Tenslotte heeft de exorcist mijn hoofd kaal laten scheren en kerfde hij er diep met een mes in. Het mes werd bloederig en hij maakte echte wonden. Hij liet me op de grond zitten en goot water over mijn hoofd; het was een verschrikkelijk pijnlijke ‘behandeling’. Toen dit alles niet het beoogde succes had, begon hij citroensap in de wonden te wrijven. Venkamma kon deze marteling niet langer aanzien. Stilletjes riep ze de man met de kar en in het duister van de nacht nam ze me mee terug naar huis in Puttaparthi.

 

Gestaag verspreidde zich de faam van Sai’s grootheid wijd en zijd. Er was een dermate grote toestroom van mensen dat het huis ze nauwelijks kon bevatten. Daarop zei Pedda Venkema Raju tegen de mensen dat ze alleen op donderdag konden komen. Maar de mensen protesteerde en zeiden dat ze hun lijden niet tot donderdag konden uithouden. Subbamma riep toen Venkappa en zei tegen hem dat het niet doenlijk was om zulke grote groepen mensen in zijn huis te ontvangen. Zij wilde mij graag in huis nemen en aan al mijn behoeften en aan die van de bezoekers tegemoetkomen. Daar Subbamma een Brahmaanse was en Swami tot de Raju kaste behoorde, hadden de Brahmanen van Puttaparthi bezwaar tegen Subbamma’s voorstel en besloten haar te boycotten. Zij zei echter dat, omdat zij kinderloos was en geen behoefte had om bij mensen op bezoek te gaan, de voorgestelde boycot haar niets deed. “Ik laat Sathya nooit in de steek”, zei ze. In het dorp waren enkele woningen van Harijans, die Swami zeer waren toegewijd. Ik ging daar regelmatig heen. Zelfs Subbamma ging dan mee. Ze was niet gelukkig als ze niet bij me kon zijn, ook niet voor korte tijd. Ze zorgde voor mij alsof ik haar eigen zoon was. Alle Brahmanen in het dorp waren gewoon vijandig jegens Subbamma en zelfs haar eigen moeder en broer keerden zich tegen haar. Bij een goddelijke incarnatie komen er nu eenmaal zulke obstakels op je weg en zij was zich heel goed van de situatie bewust. Zij verklaarde dat zij zich over vijandschap van wie dan ook geen zorgen maakte en was vastbesloten om mij niet los te laten. Spoedig kon ook haar huis de stroom bezoekers niet meer aan. Venkappa benaderde dus Subbamma op een keer en zei: “Waarom zou jij al die last op je nemen? Laten wij hem in een apart huis laten wonen.” Daarop gaf Subbamma een stuk grond tussen de Sathyabhama en Venugopala Swami tempels. Daar werd een klein optrekje gebouwd. Men placht mij daar op te sluiten, maar dat weerhield mij er niet van om naar buiten te gaan en op de heuvel te gaan zitten. Dat soort wonderen kwam dagelijks voor.

 

Ondertussen hadden degenen die zich vanwege het kaste-geschil tegen Subbamma gekeerd hadden, met elkaar besloten dat zij zich door middel van vergif van Swami zouden ontdoen. In die tijd was ik erg dol op vada’s (een Indiase delicatesse). Dus die mensen maakten wat vada’s en in enkele ervan stopten ze een krachtig werkend vergif. Subbamma heeft me heel vaak gewaarschuwd om niet bij die mensen op bezoek te gaan. Maar, haar bezwaren ten spijt, ging ik overal naar toe. Bij een bepaalde gelegenheid ging ik naar het huis in kwestie en at van de vergiftigde vada’s. Wat er daarna gebeurde is intussen bekend.

 

Nog een dergelijke poging werd gedaan toen enkelen van hen mijn geïmproviseerde huisje in brand staken. Het huisje had een rieten dak en een paar onverlaten zetten het in brand. Toen het vuur woedde, maakten de mensen zich zorgen over wat er daarbinnen met mij gebeurd was. Plotseling was er een wolkbreuk precies boven het huisje en die bluste de brand. Maar er omheen viel er geen druppel. Venkamma, Subbamma en Easwaramma kwamen huilend aangelopen. Het dak was volledig verbrand en alleen de muren stonden nog overeind. Zij keken over de muur en troffen mij daar vredig slapend aan. Ik was volkomen ongedeerd. Toen heeft Subbamma het slot open laten breken en mij mee naar huis genomen. Na verscheidene van zulke tests en beproevingen kregen de mensen steeds meer vertrouwen in Sai Baba.

 

In Penukonda zei iemand over wonderbaarlijke krachten te beschikken en verklaarde een devotee van Sai Baba te zijn. Verschillende andere mensen begonnen mijn kleding en manieren te imiteren. Zij trokken rond en probeerden op diverse plaatsen volgelingen te krijgen. Alleen maar mijn naam gebruiken en mijn manieren nadoen is niet voldoende om de mensen eindeloos voor de gek te houden. Al spoedig realiseerden de mensen zich wat er aan de hand was.

 

Daarna begon mijn verblijf in Bangalore. Easwaramma en Venkamma vroegen mij dringend om Puttaparthi niet in de steek te laten. Ik beloofde dat ik dat niet zou doen. Verscheidene mensen van hoge komaf, zoals de vrouw van de maharadja van Mysore, bezochten mij in Puttaparthi. In die tijd was de Chitravathi rivier de meeste tijd een smalle stroom. De mensen staken de rivier over door planken neer te leggen en daar de auto’s overheen te laten rijden. Dat nam de plaatselijke tegenstanders de wind uit de zeilen.

 

Alle grootse mannen zijn door hun moeder gevormd. De goede moraal, het karakter en het gedrag van de moeders heeft gevolgen voor hun nageslacht. Door de deugden van Kausalya werd Rama zo fenomenaal. Sita heeft op soortgelijke wijze Lava en Kusa opgevoed en ook zij zijn tot grote hoogten gestegen. Zo vormen deugdzame moeders de grondslag voor voorbeeldige kinderen. Nadat ik Easwaramma mijn belofte had gedaan, heb ik Puttaparthi nooit in de steek gelaten. De hele wereld kan hier naartoe komen, maar ik ga niet uit Puttaparthi weg. In het algemeen is het zo dat avatars in hun geboorteplaats blijven wonen. Als je hier een plant uitgraaft en je zet hem elders weer in de grond, hoe lang leeft hij dan nog? Een boom moet opgroeien op de plek waar het zaadje terecht is gekomen. Zo heeft Sathya Sai Baba zijn wortels in Puttaparthi en het tot een pelgrimsoord gemaakt. Toen de Hogeschool in Bukkatpatnam werd gevestigd, vroegen ze mij om een toepasselijk lied te componeren. Dat heb ik gedaan en in dat lied heb ik de nadruk gelegd op de eenheid in verscheidenheid van het volk van Bharat (India).

 

De macht van het moederschap is onvoorstelbaar groot. Rechtschapen gedrag en strikte naleving van morele waarden van moeders vind je in hun kinderen terug. Daarbij maakt het niet uit of de moeders ongeletterd zijn. Hun uitnemendheid hangt niet af van geleerdheid of boekenwijsheid. De deugden van de ongeletterde Easwaramma hebben de grootsheid van de naam en faam van Puttaparthi tot stand gebracht. Het is jammer dat Easwaramma is vergeten, terwijl haar zoon wordt verheerlijkt. Hoe zou zo’n fenomenaal verschijnsel er ooit geweest zijn als Easwaramma er niet geweest was? Verwaarloos je ouders nooit.

 

Wat is de oorsprong van de naam van dit dorp Puttaparthi? Daar zit een bijzonder verhaal aan vast. Vlak bij de tempel van Venugopala Swami was vroeger een mierenheuvel, waar een slang zich in genesteld had. Iedere dag werden de koeien naar de weiden buiten het dorp gebracht om te grazen. Op een dag is één van de koeien naar de mierenheuvel gelopen en de slang dronk melk uit zijn uier. Iedere dag keerde de koe met een lege uier naar de stal terug. De koeherders ontdekten de reden ervan en beraamden een plan om de slang te doden. Op een dag, toen de slang weer melk van de koe aan het drinken was, gaven ze hem een klap met een grote steen. De slang werd woedend en uitte een vervloeking over hen, die inhield dat de herders en hun koeien niet meer in het dorp zouden kunnen wonen. Daarom hebben de herders toen Puttaparthi verlaten en hebben ze woningen in de buurt van Gokulam gebouwd. Zelfs vandaag kun je dat nog zien. De kei waarmee de herders de slang hebben geprobeerd te doden wordt nu vereerd.

 

Ik heb vandaag uitvoerig over deze dingen gesproken om jullie bewust te maken van de betekenis van de namen Sai Baba en Puttaparthi. Puttaparthi heeft een grote geschiedenis. Heel wat prominenten hebben dit dorp bezocht. Er hebben hier invloedrijke mensen gewoond en het dorp een grote naam bezorgd. Indertijd zijn de maharadja en zijn moeder hier vaak geweest. Veel zulke hooggeplaatste persoonlijkheden hebben de grootsheid van Puttaparthi (h)erkend en de plaats eer aan gedaan.

 

De Heer van Puttaparthi zal je altijd beschermen

Hij is de belichaming van mededogen

Hij zal je bij de hand nemen en je over de oceaan des levens brengen

Hij zal je nooit, onder geen enkele omstandigheid, in de steek laten.

                                                                                          Telugu gedicht

 

Belichamingen van liefde,

Jullie zijn echt heel fortuinlijk en moeten wel grote verdienste hebben om in de omgeving van Sai te mogen verkeren. Jullie hebben het geluk om met Swami te kunnen zingen en spelen. Jullie zijn bij Sai en Sai is bij jullie. Daarom zeg ik zo vaak: “Jij en ik zijn één.” De macht en glorie van God gaat het menselijk verstand verre te boven. Ontwikkel een onwankelbaar vertrouwen in Hem.

 

Studenten,

Jullie zijn naar Puttaparthi gekomen en hebben hier gestudeerd. Stel nu alles in het werk om het prestige van Puttaparthi hoog te houden. Ik wil jullie iets belangrijks onder de aandacht brengen. Gewoonlijk willen studenten hun vakantie graag thuis doorbrengen. Maar hier is dat niet zo. Er zijn er maar een paar die in de vakantie naar huis gaan. Hoe komt dat? De grootste goddelijke magneet is hier. God trekt iedereen aan. Zijn kracht is niet te bevatten, zo groot. In de komende jaren zullen jullie van de kracht van deze magneet steeds meer gaan merken.

 

(Swami zette het lied “Hari Bhajan Bina …” in en vervolgde daarop zijn toespraak.)

(Op Dr. Anjanaiah wijzend, zei Swami): Hij heeft een mandir in Urakavonda gebouwd. Die is om de steen heen gebouwd waarop ik zat toen ik mijn eerste lessen aan de mensheid gaf. Dr. Anjanaiah heeft zijn doctoraal natuurkunde gedaan en had een baan. Later heeft hij die baan opgezegd en zich geheel aan Swami’s dienst gewijd. Op het ogenblik is hij de landelijk voorzitter van de Sri Sathya Sai Seva Organisaties in Andhra Pradesh. (Op een oudere heer wijzend): Hij is de schoonvader van Dr. Anjanaiah. Hij woont altijd in Uravakonda en heeft een perceel grond voor Swami’s werk ter beschikking gesteld. Hij kweekt daar allerlei soorten fruit en laat die naar Puttaparthi transporteren. Hij is nu 100 jaar oud. Ik wil jullie nog iets belangrijks vertellen. De devotees hier in Prasanthi Nilayam die hun leven aan Swami wijden worden allemaal minstens 100 jaar oud. Kasturi is destijds hier naartoe gekomen en heeft die leeftijd ook bereikt. Hetzelfde is het geval met Pujari Kistappa. Jullie hebben misschien allemaal wel van Kamavadhani gehoord, een groot vedisch geleerde. Hij is hierheen gekomen en 30 jaar gebleven. Hij is nooit meer uit Puttaparthi weggegaan. Op een dag, na het vervullen van het Rama Kalyanam ritueel hier in de mandir, zei hij tegen me: “Swami, ik ga nu naar mijn kamer. Ik ga een gewijd bad nemen en dan kom ik terug.” Ik zei tegen hem: “Je hoeft niet terug te komen hoor, neem je bad maar en eet wat, dan zul je vredig slapen.” Hij ging naar zijn kamer en nam een bad. Zoals Swami hem gezegd had, at hij daarna wat en ging rusten. Hij overleed vredig in zijn slaap. Sai’s naam was altijd in zijn gedachten. Hij heeft nooit ziekten gekend. Dan was er nog een andere devotee, Soorayya geheten. Hij was niet getrouwd. Hij had geen wensen. Voordat hij hier naartoe kwam, werkte hij voor de radja van Venkatagiri. Op een dag gaf hij de radja de wens te kennen om naar Puttaparthi te gaan. De radja was hier heel verheugd over en trof alle nodige voorbereidingen voor zijn reis. Hij is hier meer dan 30 jaar gebleven en heeft Swami gediend. Ook hij is 100 jaar oud geworden en overleed vredig in zijn slaap.

 

(Swami riep Sri Gopal Rao op het podium). Velen van jullie hebben Gopal Rao gehoord. Ook hij zal de 100-jarige leeftijd bereiken. Zelfs op zijn hoge leeftijd ging hij regelmatig naar de kantine om water voor de mensen in te schenken. In de tijd dat hij bestuursvoorzitter was van de Andhra Bank brak er een grote staking uit. Veel topmensen werden gearresteerd. Indira Gandhi stuurde hem een telegram, juist op de dag dat ik voor de lunch bij hem op bezoek was. Ik zei tegen hem: “Gopal Rao, geef niet toe aan politieke druk. Wat jij hebt gekozen is het pad van waarheid. Wijk er niet van af.” Hij gehoorzaamde. Niemand kon hem iets doen. Nu woont hij in Prasanthi Nilayam. Hij doet namasmarana (herhalen van Gods naam) en is heel gelukkig. Dr. Padmanabhan’s vader, Seshagiro Rao, is hier na zijn pensionering op 63-jarige leeftijd gekomen. Ook hij is 100 geworden en heel vredig gestorven. Al deze devotees hebben een gelukkig en gezond leven geleid. Er is geen ogenblik in hun leven geweest dat zij anderen hadden willen dienen. Ik heb Gopal Rao gezegd dat zijn heengaan vredig zal zijn en dat hij niet afhankelijk zal worden van hulp van anderen. Ik heb tegen hem gezegd dat hij moedig moest zijn. Zo zijn er heel wat devotees geweest die in de goddelijke aanwezigheid een lang en vredig leven hebben geleid. Het fysieke lichaam zal vroeg of laat worden achtergelaten, maar men dient zijn lichaam vredig te verlaten zonder helemaal van anderen afhankelijk te worden. (Tot slot gaf Swami het woord aan Sri Gopal Rao, die de aanwezigen kort toesprak.)

 

Bron: publicatie website Sri Sathya Sai Books and Publications Trust, Prasanthi Nilayam.

Vertaald door de Stichting Sri Sathya Sai Baba - Nederland.